Inloggen Minddistrict
> Kind en Jeugd > Gedragsstoornis | Kind en Jeugd > Gedragsstoornis - Hoe ontstaat het?

Gedragsstoornis - Hoe ontstaat het?

Het ontstaan en in stand blijven van beide categorieën gedragsstoornissen bij kinderen en jeugdigen is meestal te verklaren vanuit een combinatie van risicofactoren. Er is vaak sprake van een wisselwerking tussen verschillende kindfactoren en omgevingsfactoren.

1) Kwetsbaarheden in het kind;

Tot de kind-gebonden risicofactoren, die vooral van belang zijn voor gedragsstoornissen met een vroeg begin, behoren:

  • Vertraagde taalontwikkeling
  • Lage intelligentie
  • Bepaalde temperament kenmerken zoals emotionele labiliteit, rusteloosheid, korte aandachtspanne en negativisme.
  • Een verlaagd activatieniveau van het autonoom zenuwstelsel (hartslagfrequentie, huidgeleiding); dit houdt mogelijk verband met onbevreesd zijn en een geringere gevoeligheid voor straf.
  • Erfelijkheid speelt eveneens een rol in het ontstaan van antisociaal en agressief gedrag.
  • Een verminderde serotonerge functie werd herhaaldelijk bij kinderen en jeugdigen met gedragsstoornissen gevonden. Serotonine wordt verondersteld een modulerende rol te spelen in allerlei functies; serotonine zou onder andere gedrag inhiberen, voor een deel via het autonome zenuwstelsel. Ook een verminderde dopaminerge functie werd gevonden.
  • Minder cortisolproductie in reactie op stress.
  • Afwijkende hormoonhuishouding.
  • In reactie op beloning minder activiteit in de orbitofrontale cortex.
  • Omstandigheden tijdens zwangerschap en bevalling, bijvoorbeeld roken of ander middelengebruik.
  • Afwijkende sociale cognities. Hun sociale informatieverwerking en sociale probleemoplossing vertonen de volgende kenmerken:
    • Het richten van aandacht op minder informatie dan leeftijdsgenoten
    • Aandacht vaker gericht op vijandige informatie, als gevolg waarvan zij aan anderen vaak een vijandige intentie toekennen, terwijl daar geen grond voor is.
    • Gedrag is gericht op het overheersen van anderen en het nemen van wraak.
    • Voor sociale problemen bedenken ze minder oplossingen en vaker een agressieve oplossing.
    • Deze jongeren zijn meer egocentrischer ingesteld en hebben meer moeite het perspectief van de ander in te nemen.
    • Tekorten in empathie.

2) Opvoedingskenmerken;

De rol van de omgeving kan, bij het type beginnend in de kinderleeftijd, beschreven worden vanuit de alledaagse ouder-kind interacties zoals die binnen de opvoeding plaats vinden. Deze wordt gekenmerkt door:

  • Het geven van onduidelijke of onvoldoende positief geformuleerde opdrachten.
  • Het onvoldoende oog hebben en waardering tonen voor sociaal wenselijk gedrag.
  • Het onvoldoende stellen en consequent hanteren van regels en afspraken;
  • Het inconsequent en vaak hard straffen;
  • Weinig direct toezicht op het kind ("supervision");
  • Weinig zicht en gevoelsmatige betrokkenheid op het doen en laten van het kind ("monitoring" van gedrag).

Deze opvoedingskenmerken worden voor een deel door het kind zelf uitgelokt; voor een deel hangen ze samen met een reeks eigenschappen van de ouders en het gezin, zoals:

  • Relatieproblemen met openlijke conflicten en agressie;
  • Bepaalde persoonlijkheidskenmerken van de ouders (gedeprimeerdheid, stress, prikkelbaarheid, emotionele afstandelijkheid);
  • Psychiatrische stoornissen bij de ouders (ADHD, middelenmisbruik en afhankelijkheid, persoonlijkheidsstoornissen);
  • Delinquentie van de ouders;
  • Herhaalde wisselingen van de ouderfiguren;
  • Mishandeling;
  • Lage socio-economische status;
  • Eén-oudergezin;
  • Sociaal isolement van het gezin.

Bij het prognostisch veel gunstiger type gedragsstoornis beginnend in de adolescentie spelen voornamelijk andere omgevingsfactoren een rol:

  • Heftige autoriteitsconflicten ten gevolge van een toenemende behoefte van autonomie van de adolescent;
  • Onvoldoende zicht van de ouders op het doen en laten van de adolescent;
  • De aansluiting bij de (pre)delinquente groep leeftijdgenoten;
  • Een niet-optimaal omgaan van de ouders met de "normale" adolescentieproblematiek (onder andere verzet tegen autoriteiten).

Biologische factoren hebben hierop een kleinere invloed. Daarnaast is het ongewenst gedrag van de jongere vaak kortdurend, omdat deze in de schoolleeftijd gewenst gedrag heeft aangeleerd.

(Bron: http://www.kenniscentrum-kjp.nl/)

© copyright Therapeutisch Centrum GGZ 2019 | Disclaimer | Privacyreglement